4.  Resistentie bepaling
De precieze rol van resistentie bepaling in de klinische setting is (nog) niet geheel duidelijk en onderhevig aan discussie. Resistance Associated Substitutions (RAS) (voorheen aangeduid als RAV: Resistance Associated Variants) lijken de slagingskansen van behandeling vooral te beÔnvloeden bij behandelregimes die een NS5A remmer bevatten en in het bijzonder bij patiŽnten met genotype 1a of 3.
De richtsnoer commissie heeft ervoor gekozen om  het advies van de EASL richtlijn te volgen. RAS bepalingen dienen niet standaard uitgevoerd te worden. Echter, indien de mogelijkheid voor RAS bepaling aanwezig is en de resultaten op een juiste manier geÔnterpreteerd kunnen worden kan dit ondersteunen in de keuze voor de volgende behandelregimes:
1.    Sofosbuvir/velpatasvir (Epclusa) bij onbehandelde genotype 3 patiŽnten met gecompenseerde cirrose en eerder behandelde genotype 3 patiŽnten zonder cirrose.
2.    Sofosbuvir/velpatasvir/voxilaprevir (Vosevi) bij onbehandelde genotype 3 patiŽnten met gecompenseerde cirrose en eerder behandelde genotype 3 patiŽnten zonder cirrose en met gecompenseerde cirrose.
Indien de RAS bepaling niet uitgevoerd is, moet deze patiŽnt beschouwd worden als hebbende een RAS. Zie voor desbetreffende behandeladviezen de betreffende tabellen in hoofdstuk 6 en/of 7. Bij patiŽnten die gefaald hebben op behandeling met een DAA-regime adviseren we contact op te nemen met een expertise centrum (AMC, EMC, UMC), voor overleg over RAS bepaling en nieuw te starten DAA-behandeling.


index.html